Het begrip context vanuit archiefwetenschappelijk perspectief.

13 september 2005

Het begrip ‘context’ is in de jaren negentig van de twintigste eeuw in zwang geraakt binnen de archiefwetenschap. Dit betekent overigens niet dat archivarissen daarvoor niet met ‘context’ bezig waren. Ze gebruikten de term niet, maar hielden bij onderzoek van archieven altijd rekening met de omgeving waaruit het betreffende archief voortkwam. In zijn algemeenheid wordt vervolgens ook met het begrip ‘context’ de omgeving bedoeld die het archief genereert, structureert en bevraagt. Maar dit is wel een heel algemene aanduiding die niet of nauwelijks specificeert wat er nu met de term ‘context’ wordt bedoeld. Context en archief worden op verschillende manieren afgebakend (if all) en veelal worden de contextuele verschijnselen tot een omschrijving van het begrip ‘context’ gebombardeerd. De algemene omschrijving hierboven definieert het begrip ‘context’ bijvoorbeeld al op basis van datgene wat met het archief gebeurt; als definitie blijft eigenlijk alleen ‘omgeving’ over. De omschrijvingen geven dus wel aan wat tot de context van het archief moet worden gerekend, maar veelal niet wat ‘context’ zelf is. Verwarrend wordt het vervolgens als op basis van wat tot de context van het archief wordt gerekend, onderscheid wordt gemaakt in meerdere ‘contexten’.

Geert-Jan van Bussel
Ferdinand Ector


Belang
Begrip van de term is van groot belang, omdat daardoor duidelijker wordt welke rol ‘context’ binnen de archiefwetenschap speelt. Daardoor wordt het makkelijker om ‘context’ als een model weer te geven op basis waarvan in de praktijk de ‘context’ van specifieke archieven kan worden onderzocht. Onderzoek van de ‘context’ van een archief is van groot belang voor de interpretatie ervan, zowel nu als in de toekomst. Immers, zonder kennis van de contextuele factoren op grond waarvan een archief is ontstaan, beheerd, bevraagd en in stand gehouden, is het onmogelijk te reconstrueren hoe (de onderdelen van) het archief tot stand is (zijn) gekomen. Het is dan onmogelijk vast te stellen wat de informatie- en bewijswaarde van het specifieke archief is. Het afleggen van verantwoording, het ondersteunen van de recht- en bewijszoekende burger, rechtmatig en doelmatig handelen: dit alles wordt dan op losse schroeven gezet. Het archief heeft zonder kennis van de bepalende contextuele factoren ervan geen enkele waarde.
We houden ons in deze publicatie bezig met de vraag wat een archivaris onder het begrip ‘context’ dient te verstaan. We zullen daarbij gebruik maken van andere wetenschapsbereiken, die net als de archiefwetenschap ‘context’ als een kernbegrip hanteren. Vervolgens zullen we bezien hoe we ‘context’ en de daarmee verbonden ‘contextuele factoren’ (of ‘contextuele verschijnselen’) op basis van modellen kunnen onderzoeken.

Wetenschap over context.
‘Garbage can’
Het belang van ‘context’ wordt zelden in twijfel getrokken. Het wordt veel gebruikt vanuit verschillende benaderingen en kent veel pogingen tot definitie. Ook hier geldt echter dat: ‘although the notion of context plays a central role in most current explanations of language understanding, what can count as context is generally undefined’ (Clark, Carlson 1981). Een regelmatig voorkomende conclusie is dat er geen term is die zo veel wordt gebruikt en zo weinig wordt gedefinieerd. En als er pogingen tot definitie worden gedaan leiden die bij geen enkel begrip tot zulke verschillende omschrijvingen. Dit is zo opvallend dat wordt opgemerkt dat het begrip ‘context’ haast als een ‘rituele invocatie’ gebruikt wordt, of, nog erger, als een ‘conceptual garbage can’.

Interpretaties
Pogingen tot definitie worden (uiteraard) beïnvloed door het onderzoeksveld waarmee het concept wordt benaderd. Er zijn meerdere interpretaties gangbaar, als volgt samen te vatten:

* Context is een factor waarmee bij onderzoek rekening gehouden moet worden, net als structuur, cultuur, persoon, situatie en gedrag. Alle factoren die niet zelf worden onderzocht kunnen context zijn. Context is een soort ‘container’ waarvan het onderwerp het centrum is.

* Context is een onontkoombare omgeving, zonder welke het te onderzoeken object niet begrijpelijk is. Context is dan ‘carrier of meaning’ en het is nodig dat het onderzochte object in een sociaal en historische context wordt geplaatst, zodat bekend is hoe de huidige, specifieke situatie ontstaan is. Over het algemeen is het de tweede interpretatie – context is een onontkoombare omgeving – die binnen de archiefwetenschap overheersend is.

‘Contextualism’
Binnen de sociale wetenschappen is de contextuele benadering gebaseerd op Peppers World Hypotheses en vooral op het daarin geschetste ‘contextualism’ waarvan de historische, plaatsbepaalde gebeurtenis de kern is. De interpretatieverschillen binnen de sociale wetenschappen zijn onstaan door de achtergrond van de (grofweg) drie wetenschappelijke scholen die zich met de theoretische fundering van context bezig houden:

1. de hermeneutische school. Context wordt binnen deze school benaderd vanuit de analyse van teksten. Het onderzoek is vooral gericht op taal en taaluitingen en de manier waarop deze beïnvloed worden en te duiden zijn;

2. de pragmatische en systeem-theoretische school. Deze school is gericht op het ontdekken, onderzoeken en vastleggen van hiërarchieën binnen contextuele uitingsvormen en het plaatsen daarvan in systematische overzichten;

3. de context-psychologische school. Deze school is gericht op de bepaling van de factoren die menselijk gedrag beïnvloeden.

Situatietheorie.
Ook binnen de exacte wetenschappen is (vooral in de wiskunde en de informatica) context belangrijk. De situatietheorie bijvoorbeeld is een poging om een wiskundige betekenistheorie te ontwikkelen voor problemen betreffende taal, informatie, logica, filosofie en psychologie. Basisbegrippen binnen deze theorie zijn individuen, eigenschappen, relaties, tijd, plaats en situaties. Een situatie is een gestructureerd, beperkt deel van de werkelijkheid, door een ‘intelligent agent’ te gebruiken en te individualiseren. Een ‘intelligent agent’ is software gebaseerd op kunstmatige intelligentie, waardoor bijvoorbeeld een robot kan opereren in een specifieke situatie. Individualiseren betekent dat een ‘intelligent agent’ iedere situatie afzonderlijk, op ‘individuele basis’, kan benaderen. Eigenschappen, relaties, plaats en tijd bepalen een situatie. Situaties die op overeenkomstige wijze zijn gevormd en ingericht vormen een situatietype. Informatiestromen zijn de abstracte netwerkverbindingen tussen de diverse situaties en -typen. Wat de informatie in zo’n informatiestroom betekent is afhankelijk van de situatie of het situatietype. Algemene opvatting is dat een situatie of situatietype (met die specifieke eigenschappen, die specifieke relaties, op die plaats en op die tijd) dat gedeelte van de realiteit is dat relevant is voor de bepaling van de inhoud van de gegeven situatie. Context bevat dus de gegeven situatie en de regels die de relaties daarbinnen bepalen. De situationele omstandigheden bepalen dus de context waarbinnen ‘intelligent agents’ kunnen opereren. Afhankelijk van de inschatting van de situationele omstandigheden opereren ‘intelligent agents’ anders: ze maken een inschatting van de context alvorens beslissingen te nemen.

Contextuele factoren.
Ongeacht de wetenschappelijke discipline is een aantal concepten algemeen geaccepteerd:

* Context is een kunstmatige eenheid.

* Context omringt de te onderzoeken objecten en is noodzakelijk om deze te begrijpen.

* Context oefent invloed uit op objecten en maakt ze interpretabel.

* Iedere onderzoeker wordt beïnvloed door de context van de eigen situatie.

* Er zijn, afhankelijk van het gezichtspunt, veelvuldig specifieke ‘contextuele factoren’ benoemd, uiteraard afhankelijk van het gezichtspunt. ‘Context’ als begrip is een incoherent concept, dat ondanks een intuïtief begrip over wat het begrip inhoud, gezien het grote verschil in contextuele factoren in ieder vakgebied een andere betekenisinhoud heeft. Het is dan ook verwonderlijk om te zien dat veelvuldig algemene modellen worden geconstrueerd zonder dat het begrip vanuit het specifieke vakgebied zelfs maar in beperkte vorm is gedefinieerd. Ook binnen de archiefwetenschap is dit regel.

Het begrip: theoretische verantwoording in de systeemtheorie
Systeemdenken.
Aangezien archieven het gevolg zijn van de bedrijfsprocessen binnen organisaties hanteren we hier om tot een definiëring van context te komen een organisatiekundige invalshoek. Daarnaast speelt het onderzoek binnen de sociale en exacte wetenschappen (met name het ‘contextualism’ en de situatietheorie) in de bepaling van het begrip een belangrijke rol. Uitgangspunt vormt de systeemtheorie. Systeemdenken is het beste conceptuele middel om organismen te bestuderen die een georganiseerd karakter hebben en waarbij begrip van de onderlinge samenhangen een rol speelt. Het systeemdenken is sterk beïnvloed door de cybernetica en de informatietheorie, terwijl het met de situatietheorie een grotendeels identiek begrippenkader deelt.

Systemen.
De bioloog Von Bertalanffy onderkende als eerste het belang van openheid en geslotenheid tegenover de omgeving om ‘levende’ organismen te onderscheiden van zielloze objecten. Elk organisme wordt beïnvloedt door de omgeving, transformeert deze volgens eigen karakteristieken en beïnvloedt daarmee vervolgens wederom de omgeving. Het organisme krijgt stabiliteit, onafhankelijk van tijd, en kan zich daardoor aanpassen aan variaties en wisselingen in de omgeving. Het denken in systemen verschaft een gemeenschappelijke taal voor de analyse van complexe problemen. Een systeem is een in de werkelijkheid bestaande verzameling elementen, die onderling zijn gerelateerd, die (eventueel) relaties onderhouden met andere elementen in hun ‘omgeving’ en die gericht zijn op een doel. Elk systeem kan worden gespecificeerd door:

* de elementen die deel uitmaken van het systeem. Dit zijn de kleinste delen die een onderzoeker gezien zijn doel wenst te beschouwen;

* de elementen die geen deel uitmaken van het systeem maar dit wel beïnvloeden en dus tot de omgeving ervan behoren;

* de verzameling interne en externe relaties die de structuur van het systeem vormt en die de interactie tussen systeem en omgeving vormen;

* het doel waartoe de relaties tussen systeem en omgeving dienen.

Beschouwingswijzen.
De systeembenadering kent twee beschouwingswijzen, die als twee zijden van één medaille met elkaar verbonden zijn. Beide interpretaties zijn ingebed in elkaar. Het zijn:

* de dynamische interpretatie, gericht op het oplossen van bestuurlijke problemen, waarin de besturing van systemen (en van zich daarbinnen afspelende processen) centraal staat;

* de statische interpretatie, gericht op structuren, waarin samenhangen of relaties centraal staan, niet enkel die binnen een systeem, maar ook die tussen systeem en omgeving.

Beide beschouwingswijzen zijn bij het interpreteren van het begrip context van belang. Zowel de besturing van het systeem als het krachtenveld waarin het systeem een rol speelt zijn van belang bij het bepalen van de informatie- en de bewijswaarde van archieven.

Omgeving.
Een systeem is beperkt, en ook de omgeving ervan. Niet alles wat in de werkelijkheid voorkomt behoort ertoe. Slechts die elementen zijn van belang waarmee een wederzijdse (directe of indirecte) beïnvloeding plaatsvindt. Het vaststellen van de grens tussen systeem en omgeving is lastig. De grens wordt bepaald door een aantal criteria waaraan elementen moeten voldoen om tot een systeem en zijn omgeving te worden gerekend. De ‘grens’ van een systeem is een grensgebied, bestaande uit de elementen uit systeem en omgeving die in relatie staan tot elkaar. In de omgeving kunnen twee gebieden worden onderscheiden:

1. een gebied van rechtstreekse afhankelijkheden tussen systeem en omgeving (‘the transactional interdependencies’); en

2. het gebied van afhankelijkheden tussen delen van die omgeving onderling, die de rechtstreekse interacties conditioneren (‘the causal texture of the environment’).

Soms worden deze gebieden respectievelijk de ‘transactionele omgeving’ en de ‘contextuele omgeving’ genoemd. De laatste is onlosmakelijk met de ‘transactionele omgeving’ verbonden, welke er grotendeels door wordt geconditioneerd.

Belangrijke elementen van de omgeving kunnen onzichtbaar zijn en niet verwerkt worden in het gedrag. Binnen de ‘relevante’ omgeving (het geheel van transactionele en contextuele omgeving) bestaat een ‘ervaren (enacted) omgeving’, dat deel van de omgevingselementen die door het systeem worden ‘ervaren’ en meegenomen bij de bepaling van de reacties op de omgeving. Deze ‘ervaren’ omgeving beïnvloedt het eigenlijke gedrag van een systeem. Het zijn de interacties met de ‘ervaren’ omgeving die vastlegging zullen vinden in het archief van een systeem.

Onderlinge relaties.
Het bestaan van onderlinge relaties is essentieel binnen de systeemleer, aangezien de samenhang binnen het systeem daardoor tot stand gebracht wordt. Door de relaties worden de eigenschappen van de elementen binnen een systeem aan elkaar gekoppeld. Hierdoor zijn de gedragingen van de verschillende elementen niet langer onafhankelijk. Door de relaties onstaat een collectief dat eigenschappen bezit die geen van de samenstellende elementen zelf bezit. Vanaf dit moment zijn twee beschouwingsniveaus mogelijk:

* het gedrag van een element kan worden geanalyseerd op het niveau van het element in relatie tot de andere elementen;

* het gedrag van een element kan worden geanalyseerd ten opzichte van het geheel.

Toestand en gedrag.
In het archief van een systeem komt de opbouw van het systeem alsmede de bestaande interne en externe relatie-interfaces tot uiting. Het archief is ‘een rechtstreekse, vastgelegde afbeelding van het systeem uit de werkelijkheid’; het archief vormt derhalve een model van de werkelijkheid. In het archief komt de ontwikkeling van het systeem in de tijd tot uitdrukking. Juist in die tijdsontwikkeling bestaat het verband met het ‘contextualism’, zoals we dat hiervoor hebben onderkend.
Het archief biedt zicht op de systeemtoestand en het systeemgedrag.
De systeemtoestand omvat alle gegevens omtrent de huidige gesteldheid van het systeem, aangevuld met alle gegevens uit de voorgeschiedenis ervan, noodzakelijk en voldoende om de huidige toestand te begrijpen. Dit zou als het ‘geheugen’ van het systeem beschouwd kunnen worden; het bestaat uit de relevante historische gegevens over de geschiedenis van een systeem én de gegevens die nodig zijn om de feitelijke toestand te karakteriseren. De systeemtoestand is gelijk aan een situatie volgens de situatietheorie en bevat dat deel van de wereld dat relevant is in de bepaling van de inhoud ervan. Vanuit het ‘contextualism’ is de systeemtoestand een ‘historische, plaatsbepaalde gebeurtenis’. Beide interpretaties van ‘situatie’ raken hier elkaar. Het systeemgedrag is het verloop van de toestand van een systeem in de tijd. In het korte-termijngedrag van het systeem zullen de relaties binnen het systeem bepalend zijn, in het lange-termijngedrag de relaties tussen systeem en omgeving. Dit sluit niet alleen aan bij de situatietheorie (‘tijd’ is belangrijk bij het bepalen van de relaties als situaties worden geïndividualiseerd), maar ook bij het ‘contextualism’ (de wijze waarop situaties zich historisch hebben ontwikkeld is van belang voor het verklaren van de bestaande situatie).

De definitie van context met als uitgangspunt het archief.
Archief.
Om aan een archief bewijs- en informatiewaarde te kunnen ontlenen moeten systeemtoestand en –gedrag bekend zijn. De opbouw en structuur van het systeem, de interne en externe interacties en de ontwikkeling in de tijd zijn immers voor het bepalen van die waarde essentieel. Systeemtoestand en –gedrag vormen het betekenisgevende kader van het archief, en wel op drie niveau’s, namelijk:

* op dat van het systeem ‘organisatie’;

* daarbinnen op het deelsysteem ‘informatievoorziening’;

* daarbinnen op het deelsysteem ‘archiefbeheer’.

Systeemtoestand en –gedrag vormen als het ware de metagegevens van het archief, waaruit hun context blijkt. Deze metagegevens (ook contextgegevens genoemd) dienen te worden vastgelegd en dienen archiefdocumenten en archief te vergezellen gedurende en na hun levensloop. Omgekeerd kan ook de neerslag van het systeem ‘organisatie’ achteraf gebruikt worden om systeemtoestand en -gedrag in de loop van de tijd te reconstrueren. Contextonderzoek houdt zich dan ook expliciet bezig met het onderzoek van deze contextgegevens om op die wijze systeemtoestand en –gedrag van een specifieke organisatie te reconstrueren.

Definitie.
Het begrip context (met het het archief als uitgangspunt) kan in systeemtechnische termen omschreven worden als: de toestand van een systeem, met name de interacties die bestaan tussen systeem en (‘ervaren’) omgeving, systeem en deelsystemen en deelsystemen onderling, afgezet tegen de tijd (systeemgedrag) en op drie niveaus: ‘organisatie’, ‘informatievoorziening’ en ‘archiefbeheer’.

Contextmodellen.
C-Schema’s.
Contextgegevens zijn vastleggingen van gegevens over contextuele factoren (of verschijnselen). De vastlegging van dit soort gegevens vindt over het algemeen plaats op basis van modellen van contextuele factoren. Deze modellen dienen als leidraad bij het onderzoek van de context van een archiefdocument of een archief. Deze contextmodellen zijn te vergelijken met ‘context-schemas’ of ‘c-schemas’, zoals ze binnen de informatica zijn ontwikkeld. Het karakter hiervan is overigens anders. Deze ‘c-schemas’ zijn bedoeld om het gedrag van ‘intelligent agents’ te beïnvloeden en beschrijft dus situaties waarmee een ‘agent’ in de toekomende tijd wordt geconfronteerd. Contextmodellen vanuit de archiefwetenschap dienen ter vastlegging van contextgegevens inzake een ‘situatie’ (= systeemtoestand) die zich op een bepaald moment voordoet met alle informatie die het mogelijk maakt die ‘situatie’ te begrijpen.

Modellen.
In de archiefwetenschap zijn diverse pogingen gedaan modellen te ontwikkelen waarin de contextuele factoren van belang voor het begrip van het archief zijn opgenomen. Veelal wordt elke groepering van contextuele factoren een ‘context’ genoemd. Veel van deze modellen zijn overlappend. Hieronder bieden we een kort overzicht van de belangrijkste andere contextmodellen, waarbij we ieder model kort zullen beschrijven:

Het model van Heather MacNeil.
MacNeil onderscheidde de:
• Ontstaanscontext (archiefvormerscontext), die bestaat uit de functionele en de organisatorische context;
• Documentaire context, een breed en nauwelijks gespecificeerd concept, dat zich richt op de structuur van het archief/archiefdocumenten en de functies waarvoor ze zijn gegenereerd. In latere aanpassingen van dit model is de documentaire context toegespitst op het toegangensysteem dat gemaakt en gebruikt wordt om het archief te gebruiken.

Het model van Luciana Duranti.
Duranti maakt een onderscheid tussen verschillende ‘contexts’, beter gezegd verschillende contextuele factoren, te weten:

• juridisch-administratief: het wettelijke en organisatorische systeem, waartoe de archiefvormer behoort;

• ‘provenancial’: de archiefvormer zelf, de organisatiestructuur en de functies;

• procedureel: de procedure waarbinnen de archiefdocumenten zijn geproduceerd;

• documentair: het archief waarbinnen het archiefdocument behoort en de interne structurering daarvan.

Het model van Duranti wordt door velen overgenomen en op onderdelen aangevuld.

Het model van PIVOT.
Het binnen PIVOT gebruikte model is tweeledig. In het ‘model van het overheidshandelen’ wordt getoond hoe de ‘handeling’ wordt bepaald door een juridische invalshoek (wet, orgaan en organisatie), door een beleidstheoretische invalshoek (beleidsterrein, beleidsproces en deelproces) en een archivistische invalshoek (informatievoorziening, gegevensbeheer, neerslag). Het ‘contextmodel’ is vervolgens bedoeld om te laten zien hoe de bestandsordening van een gegevensbestand, de functies, organisaties en informatie nauw verbonden zijn en samen de context van een gegevensbestand vormen.

Het model van Thomassen.
Thomassen maakt onderscheid tussen een logische en een fysieke context. Tot de logische context behoren de functionele, de organisatorische (procedurele) en de administratieve context. De functionele context bestaat uit missie, taken en activiteiten van de organisatie; de organisatorische context uit organisatiestructuur, interacties tussen actoren en inrichting van werkprocessen; de administratieve context uit inrichting en organisatie van het archiveringssysteem. De fysieke context bestaat uit de locaties waar en de objecten waarin de documenten zijn opgeborgen.

Het model van Hofman.
Ook Hofmans model is tweeledig. Hij onderscheidt een ontstaanscontext en een context van beheer. De ontstaanscontext bestaat uit de institutionele context (organisatie, functie, mandaat) en de administratief-procedurele context (bedrijfsproces). De context van beheer bestaat uit het beheersregime, de documentaire context, het administratieve beheer, de technische context, de applicatie-programmatuur, de besturingsprogrammatuur en de apparatuur. Hofmans model is het meest uitgebreide van de hier beschreven modellen.

Samenvatting.
In deze publicatie hebben we een poging gedaan het begrip ‘context’ te definiëren, waarbij we er van zijn uitgegaan dat het archief neerslag is van een systeem, een organisatie, en dat derhalve het begrip dient te worden gedefinieerd vanuit het systeemdenken, met als uitgangspunt het archief. We hebben afgesloten met een overzicht van een aantal contextmodellen die binnen de archiefwetenschap zijn ontwikkeld. Deze modellen zijn verzamelingen van contextuele factoren die het archief bepalen en die bij contextonderzoek studieobject zijn. Ieder van deze factoren kan worden vastgelegd in een grote hoeveelheid contextgegevens, die het vervolgens mogelijk maken het archief en de daarbij behorende context te bestuderen.

Literatuur

V. Akman, M. Surav, ‘The use of situation theory in context modeling’, Computational Intelligence, 13 (1997), nr. 3, blz. 127-138.

I. Altman, ‘Contextualism and environmental psychology’, R.L. Rosnow, M. Georgoudi (red.), Contextualism and understanding in behavioral science. Implications for research and theory (New York 1986), blz. 25-45.

J. Barwise, J. Perry, Situations and attitudes (Cambridge (Ma) 1983).

J. Barwise, ‘Conditionals and conditional information’, E.C. Traugott, C.A. Ferguson, J.S. Reilly (ed.), On conditionals (Cambridge 1986), blz. 21-54.

L. von Bertalanffy, ‘Zu einer allgemeinen Systemlehre’, Biologia Generalis, 195 (1949), blz. 114-129.

L. von Bertalanffy, ‘The theory of open systems in physics and biology’, Science, 111 (1950), blz. 23-29.

‘Context en functioneel institutioneel onderzoek: theorie’, P.J. Horsman, F.C.J. Ketelaar, T.H.P.M. Thomassen, Context. Interpretatiekaders in de archivistiek (’s-Gravenhage 2000), blz. 11-14.

B. Dervin, ‘Given a context by any other name: methodological tools for taming the unruly beast’, P. Vakkari, R. Savolainen, B. Dervin, Information seeking in context. Proceedings of an International Conference on research in information needs, seeking and use in different contexts, 14-16 August, 1996, Tampere, Finland (Londen 1997), blz. 13-38.

H. Clark, T. Carlson, ‘Context for comprehension’, J. Long, A. Baddeley (eds.), Attention and Performance (Hillsdale (NJ) 1981), IX, blz. 313-330.

M. Dascal, ‘Hermeneutic interpretation and pragmatic interpretation’, Philosophy and Rhetoric 22 (1989), nr. 4, blz. 239-259.

J. Dewey, ‘Context and thought’, J. Dewey, On experience, nature and freedom (New York 1960), blz. 88-110.

F.E. Emery, E.L. Trist, ‘The causal texture of organizational environments’, F.E. Emery (ed.), Systems thinking (Harmondsworth 19713), blz. 241-257.

Handelend optreden. Overheidshandelen: modellen, onderzoekmethoden en toepassingen (‘s-Gravenhage 1992).

G. Hirst, ‘Context as a spurious concept’, Proceedings, Conference on Intelligent Processing and Computational Linguistics (Mexico 2000), blz. 273-287.

H. Hofman, ‘Een uitdijend heelal ? Context van archiefbescheiden’, P.J. Horsman, F.C.J. Ketelaar, T.H.P.M. Thomassen, Context. Interpretatiekaders in de archivistiek (’s-Gravenhage 2000), blz. 45-66.

E. Ketelaar, ‘De culturele context van archieven’, P.J. Horsman, F.C.J. Ketelaar, T.H.P.M. Thomassen, Context. Interpretatiekaders in de archivistiek (’s-Gravenhage 2000), blz. 83-91.

H.K. Klein, M.D. Myers, ‘A set of principles for conducting and evaluating Interpretive Field Studies in information systems’, MIS Quarterly 23 (1999), nr. 1, blz. 67-93.

A.C.J. de Leeuw, Systeemleer en organisatiekunde. Een onderzoek naar mogelijke bijdragen van de systeemleer tot een integrale organisatiekunde (Leiden 1974).

H. MacNeil, ‘The context is all. Describing a fonds and its parts in accordance with the rules for archival description’, T. Eastwood (ed.), The archival fonds. From theory to practice (Ottawa 1992), blz. 198-225.

J. McCarthy, ‘Notes on formalizing context’, Proceedings of the thirteenth international Joint Conference in artificial intelligence (Chambéry 1993), blz. 555-560.

M.C. McGee, ‘Text, context, and the fragmentation of contemporary culture’, Western Journal of Speech Communication 54 (1990), zomer, blz. 274-289.

S.C. Pepper, World Hypotheses. A study in evidence (Berkeley (Ca.) 19612) (19421).

J.D. Slack, ‘Contextualizing technology’, B. Dervin, L. Grossberg, B.J. O’Keefe, E. Wartella (red.), Rethinking communication. I. Paradigm Issues (Newbury Park (Ca.) 1989), blz. 329-345.

E.C. Tolman, E. Brunswik, ‘The organism and the causal texture of the environment’, Psychological Review 42 (1935), 43-77.

R.M. Turner, ‘Context-mediated behavior for intelligent agents’, International Journal of Human-Computer studies 48 (1998), nr. 3, blz. 307-330.

J. in ‘t Veld, Analyse van organisatieproblemen. Een toepassing van denken in systemen en processen (Amsterdam-Brussel 19997).

Share This:

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *