Europese Softwarerichtlijn onduidelijk

9 augustus 2010

De Europese Softwarerichtlijn is onduidelijk. Het huidige auteursrecht op software schiet op veel aspecten tekort en geeft onvoldoende bescherming. Het is onduidelijk of een programmeertaal auteursrechterlijk is beschermd. De vraag is ook of het auteursrecht bescherming biedt tegen het kopiëren van functies van een softwareprogramma en het kopiëren van interfaces. Een Britse rechter vindt dat het Europese Hof van Justitie daarover nadere uitspraken moet doen. De rechter kwam tot die conclusie in een zaak die is aangespannen door SAS Institute, een leverancier van business intelligence-software, tegen het softwarebedrijf World Programming. SAS Institute beschuldigt World Programming ervan dat het het auteursrecht schendt door een programma te schrijven dat in de programmeertaal van SAS geschreven programma’s kan uitvoeren. Daarbij heeft World Programming de programmeertaal van SAS uitvoerig bestudeerd en de bedoeling van bepaalde functies achterhaald uit de bijgeleverde handleidingen. Daardoor was het bedrijf in staat een concurrerend softwareprogramma op de markt te brengen.


Het auteursrecht beschermt de concrete uitwerking van een idee, maar het abstracte idee zelf blijft onbeschermd. Software wordt in beginsel door het auteursrecht beschermd. Onlangs is de Engelse zaak SAS Institute v. World Programming gewezen die juist over dit onderscheid abstract/concreet bij de bescherming van software gaat. De regels over de bescherming van software zijn in 1991 door middel van de Softwarerichtlijn geharmoniseerd (onlangs lichtelijk gewijzigd hernieuwd vastgesteld). Volgens de softwarerichtlijn wordt alle software beschermd die oorspronkelijk is. Daarvoor mag slechts worden getoetst of de software 'een eigen schepping van de maker is' (artikel 1 lid 3). Niet-oorspronkelijke software wordt niet beschermd. Een programmeur die software van anderen overneemt, kan dus daarvoor geen bescherming inroepen. De richtlijn bepaalt verder dat van de software de 'uitdrukkingswijze, in welke vorm dan ook' wordt beschermd. Het gaat om de concrete uitwerking in programmeertaal (en objectcode) en niet om de achterliggende 'ideeën en beginselen' die aan het programma ten grondslag liggen. Die zijn namelijk niet zijn beschermd, aldus de richtlijn. Illustratief is hetgeen speelt in het Engelse geval. SAS Institute heeft software ontwikkeld waarmee statistische analyses uitgevoerd kunnen worden. In dit programma kunnen gebruikers eigen kleine programma’s schrijven in een door SAS daarvoor uitgevonden programmeertaal. Die functionaliteit is erg populair, want veel gebruikers hebben eigen programma’s geschreven die werken in de software van SAS. World Programming zag een gat in de markt en ontwikkelde eigen software, die de in de programmeertaal van SAS geschreven programma’s kon uitvoeren. Ze schreef deze software geheel zelfstandig en dus ook zonder gebruik te maken van bijvoorbeeld de broncodes van SAS. In deze procedure stelde SAS dat World Programming daardoor inbreuk maakte op haar auteursrechten op zowel de handleidingen van haar software (waarin de functies van deze programmeertaal werden beschreven) als op de auteursrechten op die software zelf. De Engelse rechter gaat uitvoerig op deze kwestie in en schetst veel van de juridisch relevante achtergronden. De eindconclusie is echter dat hij niet zeker weet hoe de softwarerichtlijn nu geïnterpreteerd moet worden en daarmee hoe deze kwestie nu beslecht moet worden. Hij concludeert dat er vragen gesteld moeten gaan worden aan het Europese Hof van Justitie over de uitleg van de softwarerichtlijn. Beide partijen krijgen de kans om suggesties in te dienen voor de vragen die gesteld moeten worden en voor de formulering daarvan. Welke vragen precies zullen worden gaan gesteld is daarmee nog niet geheel zeker. Uit de conclusies van de Engelse rechter kan al wel worden afgeleid dat deze vragen vermoedelijk in ieder geval zullen ingaan op:

  • de vraag of een programmeertaal auteursrechtelijk beschermd is en zo ja, in welke mate;

  • de vraag of interfaces vrijelijk mogen worden gekopieerd wanneer dit kan zonder daarvoor de objectcode van het betreffende programma te decompileren;

  • de vraag in hoeverre het auteursrecht bescherming geeft tegen het kopieren van de funties van een programma, althans tegen het aanbieden van een concurrerend computerprogramma met equivalente functionaliteit;

  • de vraag in hoeverre het recht dat de maker van een computerprogramma toekomt op grond van de softwarerichtlijn, net zo moet worden uitgelegd als het reproductierecht in een latere Europese richtlijn over aspecten van het auteursrecht in de informatiemaatschappij;

  • de vraag hoe ver het recht strekt van een rechtmatige gebruiker van software om het 'programma te observeren, te bestuderen en uit te testen , ten einde vast te stellen welke ideeën en beginselen aan een element van het programma ten grondslag liggen' (artikel 5 lid 3 Softwarerichtlijn).

Het is te hopen dat deze vragen inderdaad aan het Europese Hof van Justitie worden voorgelegd (dat gebeurt bijvoorbeeld niet indien de zaak alsnog geschikt wordt). Het zou de eerste keer zijn dat Hof duidelijkheid geeft over de mate waarin software door het auteursrecht beschermd wordt.

Share This:

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *